woensdag 10 maart 2010

Basisbeginselen van het grijpen

Het kind met een athetose heeft weinig moeilijkheden bij het reiken maar door zijn fluctuerende houdingstonus en onwillekeurige bewegingen, mits houvast, met het resultaat dat al zijn bewegingen onordelijk verlopen, daar zij slecht getimed en gericht zijn. Het zal eerst met een arm reiken, die in dit geval mogelijk zijwaarts gaat voor hij naar voren komt, waardoos oog-hand coördinatie en eventueel grijpen erg moeilijk worden.

Het spastische kind zal ten gevolge van zijn spasticiteit, beperkt zijn in zijn vermogen om te reiken. Iedere opwinding zal waarschijnlijk tot resultaat hebben dat het stijver wordt, waardoor zijn armen buigen en tegen zijn lichaam worden aangeduwd. Ook is het mogelijk dat het reikt, maar met stijf gestrekte armen die naar binnen gedraaid zijn in de schouders, en met een gebalde hand.Tastervaringen zijn voor alle kleine kinderen belangrijk, maar met name voor het kind met een cerebrale parese, dat een gebalde hand heeft, of een hand die zich open en sluit als het iets aanraakt. Bied het kind niet afzonderlijk verschillende sensorische evaringen aan, bv. door het van kleine vierkantjes en stukjes stof. Deze ervaringen moeten overdag worden opgedaan met alledaagse voorwerpen, zoals uw kleren, de verschillende materialen van stoelen, gordijnen, kleden, en andere dingen binnens- en buitenshuis; in feite sensorische ervaringen van alle dingen rondom hem en waarmee het overdag in aanraking komt.


Voor meer gevorderde vaardigheden zal het kind het vermogen moeten hebben om onafhankelijk van de pogingen van zijn arm te grijpen en het moet bewegingsdissociatie van de vingers hebben om bv. te wijzen met de wijsvinger, vingers onafhankelijk van elkaar te buigen en dit vermogen te kunnen toepassen.


Als gevolg van zijn algehele afwijkende patronen heeft het kind met een cerebrale parese vaak problemen om het manipuleren en de spraak te combineren. Daarom is het van belang dat we het stimuleren om te spreken, terwijl het zijn handen gebruikt. We moeten het niet alleen begrip voor de taal meegeven hetgeen zo belangrijk is voor het toekomstige spreken, maar we moeten het ook helpen om zijn gedachten te gaan ordenen waardoor zijn activiteiten maar betekenis krijgen.

(Het spastische kind thuis, NR Finnie, 2de druk, Bohn Scheltema en Holkema)

De ontwikkeling van de verschillende handgrepen

1. Grijpreflex : bij de geboorte.

2. De ulnaire greep: grijpen met pink en ringvinger. (ulnair= pinkzijde)

è à 5maanden

3. De digito- palmaire greep: grijpen met alle vingers en de handpalm, zonder duim.

èà 6 maanden

4. De radio- palmaire greep: grijpen met alle vingers en de duim (radius) in de handpalm (palmair)

( vb. een blokje vastnemen).

èà 6-7 maanden

5. De radio- digitale grepen: grijpen met de duim (radius) en één of meerdere vingers (digitales), zonder handpalm.

è à 7-8 maanden

5.1 De sleutelgreep: grijpen met de duim en de radiale zijde (zijkant van de vinger

aan de duimzijde) van de wijsvinger.

è à 7-8 maanden

5.2 De 3- vingertoppengreep: greep met de duim, wijsvinger en middelvinger.

è à 8 maanden

5.3 De inferieure pincetgreep: grijpen met oppositie van de duim en DIP* van de

wijsvinger.

è à 8-9 maanden

5.4 De superieure pincetgreep: grijpen met de nagel van de duim en wijsvinger.

è à 10 maanden

5.5 Oppositie duim- middelvinger: samenbrengen van de wijsvinger en duim.

è à 10-11 maanden

5.6 De briefomslaggreep: grijpen met volledige oppervlakte van de vingers en

volledige duimoppositie.

è à 12 maanden

5.7 De brede greep: grijpen met gespreide vingers en duim, een greep met alle

DIP’s gewrichten van de vingers en duim.

è à 24 maanden

5.8 De schaargreep: bij deze greep gebruikt men de duim en de middelvinger of de

middel en ringvinger samen. Afhankelijk van de grote van de openingen in de

schaar (Schneck & Battaglia, 1992). De vinger(s) en de duim plaatst men ten

hoogte van de DIP gewrichten in de schaaropeningen (Myers, 1992; Benbow,

1995). De wijsvinger kan onder de schaar geplaatst worden om meer stabiliteit te

verkrijgen bij het knippen(Schneck & Battaglia, 1992) .

è à 24 maanden

5.9 De haakgreep: flexie van alle vingers, zonder gebruik van de handpalm en

duim (vb. dragen van een tas).

è à 24 maanden

5.10 De dwarsgreep: Oppositie van de duim met de wijs- en middenvinger, fixatie

met de overige vingers. Een potlood vastnemen met een radio- palmaire greep en

de gestrekte wijsvinger ligt op de potlood.

è à 25 maanden

5.11 De latero- laterale greep: greep waarbij men een voorwerp tussen de wijs- en

middelvinger.

è à 3 jaar

5.12 De penseelgreep: greep waarbij men het einde van de penseel rust in het

handpalm en de as van het penceel vastgenomen wordt tussen de vingertoppen

(Schneck & Henderson, 1990; Schneck, 1991). Grijpen met de duim, wijs- en

middelvinger.

è à 3,5 jaar

5.13 De pen- potlood greep: greep waarbij het potlood geplaatst is tussen de duim

en wijsvinger, deze zijn in oppositie gesteld van elkaar. Het uiteinde van het

potlood rust in de opening die gecreëerd wordt door de duim en wijsvinger. Het

potlood rust juist achter de schrijfpunt op de radiale zijde (zijde van de vinger langs

de duimzijde) van de middelvinger (Benbow,2002).

è à 5 jaar

Geen opmerkingen:

Een reactie posten